maandag 19 juni 2017

Wespenkoningin gaat in mijn moestuinbak wonen.


Een aantal dagen geleden zat ik ‘s avonds wat te mijmeren op de stoel bij mijn experimentele moestuinbakken die ik twee jaar geleden had ingericht volgens het principe van de Hügelkultur / permacultuur .
Het leek net of er twee vechtende insecten over mijn hoofd heen vlogen. Even later zag ik een grote wesp langdurig rommelen achter een aardbeiplant in de grote moestuinteil. Er lag ook een dode wesp. De koningin zou in die bak toch niet bezig zijn met een nest? (zie rode streep in de bak hieronder)


Het zou een ideale plek ervoor zijn: de basis van deze bak bestaat immers uit grote stukken vermolmd hout met ruimte’s ertussen.
De volgende dag ging ik er een paar keer heen om te observeren. Met een tussenruimte van een aantal minuten zag ik de wesp uitvliegen en later weer terugkeren.
Die nacht zag ik in mijn dromen het nest uitgroeien tot een teilvullend wespennest met tientallen werksters, die in augustus heerlijk kwamen meegenieten van onze zoetigheden op het nabijgelegen terras.
Daarbij ben ik allergisch voor wespensteken, hoewel gedesensibiliseerd.
Wat te doen? Mijn mooie moestuinbak met bodemleven laten volspuiten met gif door een professional leek me niet fijn en kost ook nog eens 65 euro. Zelf ingrijpen is geen optie.

Die middag kwam een goede vriend langs, ex-hovenier en groot natuurvriend.
Toen hem het probleem werd voorgelegd en hij ons tot in detail had bevraagd over de wespenactiviteit aldaar, besloot hij dat het vrijwel zeker om een klein, beginnend nest ging, dat hij wel durfde te verwijderen.
Hij keerde mijn teil voorzichtig om, en ja, daar kwam een nestje te voorschijn, ter grootte van een tennisbal. Hij vroeg om een grote pot en zag kans het nestje alsmede de koningin én een jonge wesp in de pot te krijgen. Hij zou het nest meenemen naar een rustige plek, waar het geen overlast kon geven.



Wat is zo’n nest mooi! Je ziet hieronder de cellen, door de koningin gemaakt uit fijngekauwde houtvezels ( de wesp heet papierwesp). In de cellen legt de koningin eitjes. Daaruit ontstaan larven, je ziet ze als gele bolletjes zitten in de cellen. Wanneer het zover is, dat de larven zich gaan verpoppen, worden de cellen dichtgemaakt: je ziet de witte dekseltjes zitten bij een aantal cellen. Als ze verpopt zijn komen de jonge werksters te voorschijn. De kleine wesp, die je linksonder de koningin ziet, is zo’n jonge werkster. 



De larven worden gevoed met een papje van fijngekauwde gevangen insecten. De insectenprut wordt aanvankelijk door de koningin toegediend aan de eerste larven, later nemen de werksters deze taak over. Zij verzorgen dan ook de koningin. De larven schijnen een zoetige stof af te scheiden, die de wespen oplikken. Wanneer in de loop van augustus het nest zijn einde gaat naderen, de koningin oud wordt en en minder larven worden geproduceerd, gaan de wespen de zoetigheid elders opzoeken en dan krijgen wij er last van.

Zo in de loop van september sterft het nest uit, de oude koningin en de werksters overlijden. De nieuwe koninginnen uit het nest hebben gepaard met een aantal mannetjes, die daarna ook niet meer nodig zijn. De koninginnen, zichtbaar groter dan een gewone werkster, zoeken een plaats om te overwinteren en dat kan ook in je huis zijn.
In het voorjaar komen ze dan wat sloom te voorschijn en gaan op zoek naar een nieuwe plek om een nest te maken. Dat is dus vaak in de grond, in een composthoop en in een takkenhoop. Er waren dit voorjaar trouwens opvallend veel wespenkoninginnen.
Het is best nuttig om in je eigen tuin alert te blijven op insectenbewegingen.

Ikzelf ben jaren geleden haast vermoord door een aantal woedende wespen, die me aanvielen toen ik een na snoeiwerk een tak in de takkenril wilde steken.
Wespennesten hoeven alleen maar te worden weggehaald, als ze op plaatsen zitten, waar ze voor jou erg hinderlijk gaan worden. Wespen vangen heel wat andere insecten weg en hebben hun nut.
Wanneer je eind augustus een nest in een uithoek van je tuin vindt en je gaat bij wijze van spreken begin september twee weken met vakantie, dan hoef je niets te doen. Wij hadden die ervaring vorig jaar, het nest was half september volledig inactief geworden.
Schakel voor opruimen in principe altijd een professional in. Wespensteken zijn niet ongevaarlijk. Een allergische reactie kan onverwacht optreden, ook al ben je vaker zonder problemen gestoken.
Ik heb ervaring :-(

De moestuinbak is inmiddels zoveel mogelijk in de oude staat teruggebracht.


zaterdag 3 juni 2017

De schoonheid van de voorzomer.


De natuur kwam in dit, aanvankelijk kille, voorjaar nogal traag op gang.
Maar na een aantal heerlijke warme en zonnige dagen zien we de laatste weken het groen als het ware exploderen. Bepaalde voorjaarsbloeiers, die toch aan wat lagere temperaturen gewend zijn, maken als het ware een groeispurt door en gaan versneld van knop naar bloem naar verwelkte bloem, zoals de afgelopen week bij de oosterse papaver en de rhododendrons.



Maar intussen zijn er een aantal plekjes in de tuin, waar alles zo mooi bloeit. Ik kan niet anders dan een aantal foto’s tonen van, wat misschien wel de allermooiste tijd van het jaar is: de voorzomer ofwel de late lente.

De alliums lijken het dit jaar bijzonder goed te doen:



De aren van het gele bosgierstgras (Milium effusum "Aureum") vangen het zonlicht zo mooi op:


De laatste witte Camassia's , wat zijn dit toch een mooie planten:  


Zo lang al ben ik een grote fan van dit eenvoudige papavertje, de Meconopsis cambrica:


zaterdag 27 mei 2017

Een innemend grasje: knikkend parelgras.


Al gedurende een paar weken is in onze tuin het knikkend parelgras ( Melica nutans) een innemende verschijning in de dubbele zin van het woord.
Het is een schitterend grasje, de bloeiwijze is als pareltjes, die lijken te sidderen bij een beetje wind.




De bloeiende stengeltjes maken een bijzonder sierlijk, buigend gebaar. Het grasje combineert in onze tuin erg mooi met de cypreswolfsmelk ( Euphorbia cyparissias), ik heb deze combinatie niet zelf bedacht: het is zo gekomen.


Tot vorig jaar wiedde ik zowel het parelgras als de uitlopers van de wolfsmelk op deze plek weg; beide planten kunnen zich flink uitbreiden met ondergrondse uitlopers. Maar het werd duidelijk dat de cypreswolfsmelk én het grasje vonden dat ze op dit plekje thuishoorden. En tot mijn verrassing heb ik dit jaar een topcombinatie.



Ook op andere plaatsen in de tuin heeft het knikkend parelgras zich uitgezaaid, óók op plaatsen waar ik dat nu niet zo waarderen kan. De wolfsmelk kent hier toch veel meer zijn plaats.

En dat is dan het enige nadeel van dit gras: het heeft woekerneigingen, het neemt met graagte delen tuin in, het is hier op een aantal plaatsen té innemend.
Dat gaat via uitzaai en via ondergrondse uitlopertjes.

Het is met meer planten zo: in hun massaliteit schuilt een grote esthetische waarde, daarnaast kan de massaliteit ook probleempjes geven. En dat zijn dan slechts problemen voor de tuinier, want die zal dan willen gaan wieden. En wieden is werken en de echte liefhebber van een wildere tuin beperkt dit soort arbeid tot het uiterste.

Ten aanzien van dit aardige grasje ben ik dus duidelijk ambivalent.
Met de sierlijk over de paadjes overhangende aartjes roept het bij mij bovendien nog een ongewenste fantasie op: op elke halmpje zit een teekje op mij te wachten. 
Dit is geen onzin, want ik heb gisteren al weer het vierde teekje van dit seizoen uit mijn vel moeten plukken. En waar houden deze beestjes zich w.s. voornamelijk op? Op de grashalmpjes. 
Dus pak ik regelmatig de heggenschaar om de paadjes van overhangende grasjes en andere uitlopers te ontdoen.

Tja. Er is voor de ontmoedigde liefhebber wellicht een alternatief. Kwekers bieden het neefje van dit grasje aan: het inheemse eenbloemige parelgras, de Melica uniflora. Dit gras vormt meer pollen en de parelachtige bloeiwijze is veel bescheidener:


Hier beneden:  een grashalm van het knikkend parelgras (boven) en daaronder die van het eenbloemig parelgras: 


Knikkend parelgras: 


Eenbloemig parelgras:


De eenbloemige is dus een wat stijver gras en de mooie sierlijke buiging van de aren ontbreekt. Dit gras zaait zich hier niet uit en er zijn geen uitlopers.

Dan kies ik tóch liever voor de stoutere neefje, de schitterend bloeiende knikkende “nutans”, die zo bijzonder mooi het avondlicht kan vangen.




zondag 14 mei 2017

Keyhole-garden: mijn mini moestuintje na een jaar.


Ruim een jaar na aanleg wil ik hier mijn sleutelgattuintje weer laten zien.
Over de aanleg en de principes van dit bijzondere permacultuurtuintje lees je hier. De ontwikkeling daarna zie je hier (juni) en hier (september).

In het vorige najaar had ik mijn eigen compost over het tuintje uitgespreid en in februari bracht ik een mulchlaag aan van houtsnippers. Dit is nodig, alleen al om uitdroging te voorkomen, omdat de plek op het zuiden in de volle zon ligt. Op deze manier droogt de grond zelden uit. Na het zeer droge voorjaar krijgt het geheel wel eens een paar gieters water, maar eerst voel ik met mijn vinger of de zeer rulle, mooie zwarte grond te droog is.
Het is gebleken een zeer onderhoudsarm tuintje te zijn, dat er ook nog eens aardig uitziet.
Wat je nu ziet, stond er al voor de winter. Slechts de twee kruipende arctische braambesplantjes, de slechts 10 tot 20 cm hoge Rubus arctica, zijn bijgeplant. 
(foto hieronder dateert van april)


Deze dwergbraampjes hebben royaal gebloeid en ik zal bijhouden hoe de vruchtjes zich gaan ontwikkelen.


Ik was erg benieuwd of de Crambe maritima, een vaste koolplant, die langs de zeekant leeft tussen de basaltblokken, weer tevoorschijn zou komen. Hij kan op zonnige plekken in een tuin groeien, heeft de ruimte nodig, wortelt zeer diep en kan prachtig bloeien. De plant is zout en droogte-tolerant en het jonge blad is eetbaar. Maar bij zo’n bijzondere plant ga ik natuurlijk niet het mooie jonge blad al opeten. Ik heb hem daarentegen verwend door een keer wat zout water rond de plant te sprenkelen en hem wat zeewierkalk te geven. Op de foto hieronder is hij net de grond uit: een maandje geleden:


In het tuintje zie je nog een aantal overgebleven snijbietplanten: die zijn ook al zo mooi met de rode stengels. Haast te mooi om op te eten.


Links achter het tuintje staat een flinke salieplant, links van het midden een pol citroenmelisse, die ik wellicht toch in een pot ga zetten, want deze kan flink uitstoelen. Rechts naast het “compostvat” heb ik twee zaailingen van de Oost-indische kers ontdekt. Daarachter staat een rijtje bieslook, dat weer mooi is opgekomen.

Rechts voor staan drie groenlofplanten, die ik in de zomer van het vorige jaar had gezaaid. Het is de Grumolo Verde, die zonder bescherming zeer goed door de winter is gekomen. 


Deze licht bittere groente heb ik gisteren geoogst, zachtjes gesmoord met “spekjes” van de Vegetarische Slager en lekker opgegeten. 


Ik blijf deze Grumolo Verde op mijn groentenlijstje houden.
Eén plant heb ik laten staan, die mag doorschieten omdat hij heel mooi schijnt te gaan bloeien.

En helemaal achteraan komen mijn gewijde topimamboerknollen op. Gewijd? Zo mag je het noemen: een vriend van ons heeft deze vorige herfst gekregen van een tuinbeherende monnik van de Abdij van Egmond en ik mocht ze hier in de grond stoppen.



Je ziet er zonder twijfel aan dat ze gewijd zijn ;-) - kruisvorm en de drie eenheid - en ze komen dan ook veel krachtiger op dan de armetierige knolletjes, die ik daar zelf eerder had.


woensdag 3 mei 2017

Hondstand bloeit zo mooi.


Een niet zo bekend bolgewas is de hondstand (Erythronium). Deze soort gedijt in schaduw tot halfschaduw en er zijn meer variëteiten.
De bollen plant je in het najaar, ze lijken wat op de tanden van een hond, vandaar de naam. Je laat de bollen vast in de grond zitten.
In onze tuin heb ik jaren geleden twee soorten aangeplant: de Erythronium “Pagoda” en de Erythronium dens-canis. De laatste is geleidelijk verdwenen maar de “Pagoda” lijkt zich elk jaar verder uit te breiden. 


Het schijnt de sterkste soort te zijn. Ik heb intussen een groepje van deze plant.
Het is een prachtige plant met aparte, lichtgele bloemen, waarvan de sierlijke gebogen knoppen zich geleidelijk oprichten.



De bloemen lijken haast op danseresjes. Ik vind ze bijzonder mooi.


De bloei begon dit jaar al begin april en vandaag, haast een maand later, is het nog een feest om naar te kijken. Dit komt vermoedelijk door het koele voorjaar.




dinsdag 18 april 2017

Planten in en rond onze vijver.


Het is een groot genoegen als in het voorjaar het plantenleven in en rond de vijver weer tot leven komt. Onze vijver wordt behoorlijk aan zichzelf overgelaten; je zou kunnen zeggen dat hij langzaam aan het verlanden is, zodat de moerasvegetatie zal gaan overheersen. Ik maak daar geen probleem van, ook dit is een interessant proces om te volgen.
Op dit moment zijn het vooral de dotterbloemen die domineren. Wat zijn het toch een vrolijke, gele bloemen!


Linksonder op de foto hierboven komt de watermunt royaal op, en rechtsboven het blad van de gele lis en de moearasspirea.

In het water zie je de uitlopers van het waterdrieblad. Deze plant voelt zich in deze vijver erg thuis en vormt decoratieve stengels:


Aan de rand van de vijver enkele kievitsbloemen, ik wilde wel dat ik er meer van had.


Aan speenkruid heb ik niet tekort. Hele velden vol vrolijke gele bloemetjes.
Ik bestrijd ze niet, ze verdwijnen na een paar weken vanzelf. De ondergrondse knolletjes, de knoedeltjes, “speentjes”, blijven in de grond zitten tot het volgende jaar en hinderen de andere vaste planten niet.



De meeste van de bovenstaande foto’s zijn gemaakt vanuit het terrasje bij de vijver, vanwaar ik geregeld rustig de vijver zit te bestuderen:


woensdag 5 april 2017

Drie vroegbloeiende wolfsmelksoorten.


Tot de zeer vroege bloeiers behoren ook een aantal Euphorbia’s ofwel wolfsmelksoorten.
Ze heten zo, omdat het melkwitte sap, dat ze bij beschadiging afscheiden, irriterend is voor de huid. Zoveel mogelijk afblijven dus, anders handschoenen aandoen en oppassen voor de ogen.
Ik heb drie soorten in de tuin. De grootste en meest imposante is de Euphorbia characias subsp. wulfenii, geschikt voor drogere, zonnige plaatsen. Ik heb hem aan de voorkant van het huis op het zuiden gezet. Hij is schitterend met het blauwgrijze blad en de gele bloemen, die nu volop staan te pronken.


De plant komt goed door de winter, ik heb geen vorstschade gezien. Hij is wintergroen en ik vind hem ook in herfst en winter prachtig.


Iets meer naar het pad toe heb ik een lagere soort neergezet, met even mooi, compacte, blauwgroen blad, de eveneens zonminnende kruipende wolfsmelk, Euphorbia myrsinites. Ook deze bloeit op dit moment erg mooi.


Met wat keien, gecombineerd met siergrassen kun je met deze twee planten op een beperkt stukje grond een heel aardige, subtropisch aandoende combinatie maken.
Aan de westkant van het huis heb ik op een iets minder zonnig plekje al jaren lang de cipreswolfsmelk, de Euphorbia cyparissias “fens ruby”. Deze komt schitterend met donkerrode minicipresachtige stengels uit de grond en gaat straks ook royaal, maar fijntjes geel bloeien.


Nette tuinierders hebben een hekel aan deze plant omdat de wortels zich ondergronds met uitlopers verspreiden, waardoor je op allerlei plaatsen nieuwe planten ziet komen.


Ik trek me er niet zoveel van aan. Soms wied ik wel eens wat weg, maar het spul is zo charmant, dat ik het meestal tolereer. 
De eerste twee genoemde soorten zijn overigens veel bescheidener met uitbreiden.

Er zijn nog meer soorten, die door de gespecialiseerde kwekers worden aangeboden. Voor de liefhebber is daar altijd een geschikte soort te vinden.